maandag 18 november 2013

JFK en de zee

Waarschijnlijk iedereen weet dat John Fitzgerald Kennedy de 35ste president van de Verenigde Staten van Amerika was en dat hij op 22 november 1963 in Dallas werd vermoord. De precieze toedracht daarvan, nu 50 jaar geleden, is nog steeds met veel geheimen, speculaties en complottheorieën omkleed. Naar schatting 600 tot 1000 boeken zijn erover verschenen.
Minder bekend is dat JFK een duidelijke relatie met de scheepvaart en de zee had. Hij was een fervent zeiler.


En voordat hij zich in de politiek begaf, vocht Kennedy tijdens de Tweede Wereldoorlog in de Amerikaanse marine. Met groot risico voor zichzelf, redde hij in augustus 1943 de bemanning van een motor torpedoboot die getroffen was door een Japanse torpedobootjager. Voor dat moedige optreden ontving Kennedy diverse medailles.


Als gevolg van de tijdens deze actie opgelopen verwondingen en andere kwalen, zoals de ziekte van Addison, leed JFK aan ernstige rugpijnen en liep hij daarom buiten het zicht van de openbaarheid vaak op krukken. Zonder hulp kon hij nauwelijks lopen. Er is een theorie dat Kennedy zonder dat korset de aanslag op zijn leven misschien wel zou hebben overleefd. Misschien was hij dan na de eerste kogel niet alleen scheefgezakt, maar ook voorovergevallen zodat de tweede kogel hem niet in het hoofd zou hebben geraakt. Misschien maakte het ook helemaal niets uit. Dat doet wel de vraag 'Wat als?' ontstaan. Talloze serieuze historici en romanschrijvers houden zich met deze vraag bezig. Wat als dit ... of wat als dat? Hoe zou de geschiedenis dan zijn verlopen? Er is zelfs een officiële naam voor: Alternate History.
 
 
Wat dus als Kennedy niet in de marine zou hebben gediend? Of in ieder geval die oorlogswond niet zou hebben opgelopen? Wat als hij zijn presidentschap had kunnen voltooien? Wat dan? Zou de Vietnamoorlog dan anders zijn verlopen? Hoe zou de relatie tussen Amerika en Rusland zich hebben ontwikkeld? Waren Kennedy's buitenechtelijke liefdesaffaires dan uitgekomen? Soms is het misschien maar beter dat we de vraag 'Wat als?' niet hoeven te beantwoorden. En zo zie je ook dat de scheepvaart vaak meer voor de geschiedenis betekent dan we ons in eerste instantie misschien beseffen.

vrijdag 1 november 2013

'Een eerlijk zeemansgraf'

Op 2 november is het Allerzielen en op die dag worden alle overledenen herdacht. Ook dus degenen die aan boord van schepen stierven. Want schepen zijn niet alleen vervoermiddelen voor het overbrengen van vracht en passagiers. Het zijn ook drijvende dorpen met een geheel eigen leven. Alles wat aan de wal gebeurt, gebeurt ook aan boord van schepen, maar dan op een klein oppervlak en met de restrictie dat je er niet zomaar vanaf kunt. Net als aan de wal vinden er vrolijke gebeurtenissen, zoals verjaardagen of geboortes plaats. Maar soms gebeuren er ook trieste aangelegenheden, zoals sterfgevallen. In vroeger tijden vochten we onze vetes met Spanje, Frankrijk of  Engeland met enige regelmaat uit tijdens zeeslagen. Met honderden, soms duizenden doden als gevolg.  

 
De zee kleurde dan rood van het bloed. We staan daar nu nog maar weinig bij stil en nemen het voor lief. Het hoorde erbij. Maar let wel, zo'n enorme zeeslag ontwrichtte vaak voor jaren hele dorpen en gezinnen. Gesneuvelde zeehelden kregen soms nog een staatsbegrafenis en een praalgraf in een kerk, denk maar aan Maerten Tromp, Piet Hein of Michiel de Ruyter, maar voor gewone schepelingen was dit natuurlijk niet weggelegd. Zij stierven anoniem en kregen een zeemansgraf.


Tot in de twintigste eeuw was een zeemansbegrafenis niet ongebruikelijk. Dat klinkt nu misschien wat vreemd, want op zee heb je geen aarde om een kist in te laten zakken. Toch vinden er ook op zee begrafenissen plaats, want er sterven ook zeelieden en passagiers op een 'normale' manier aan boord van schepen. Door ouderdom of ziekte. Zoals een medewerker van de Holland-Amerika Lijn, die in 1969 plotseling overleed aan booord van het s.s. Niew Amsterdam. Hij kreeg een begrafenis op zee en het Maritiem Museum heeft een prachtige serie foto's van die plechtigheid.
 
 
Gelukkig is het niet alleen dood en verderf wat de klok slaat. Het Maritiem Museum Rotterdam is er natuurlijk ook voor springlevende mensen! 

woensdag 9 oktober 2013

Zeeziekte

Sommigen merken er niets van, anderen liggen bij het idee alleen al over de reling. Ik heb het over zeeziekte. Zelf heb ik er niet veel last van, maar sinds ik nu bijna drie jaar geleden mijn baan als bibliothecaris verruilde met die van conservator in het Maritiem Museum Rotterdam loopt het fenomeen ‘zeeziekte’ als een rode draad door mijn carrière heen.
De eerste tentoonstelling waaraan ik meewerkte, was Recht zo die gaat! Varen op de kaart van Mercator. We maakten hierbij drie filmpjes, waarvan die met mijn collega Wouter Heijveld zelfs het tv programma De Wereld Draait Door haalde. De reden: acteur Jack Wouterse en Wouter gingen de zee op om te ervaren hoe het is om te navigeren met behulp van herkenningspunten langs de kust. Er was op de filmdag redelijk wat golfslag op zee en arme Wouter werd zeeziek. Dat fragment kreeg heel wat bekijks.
 
Vorig jaar werkte ik aan een kleine, maar sfeervolle tentoonstelling over de drie Nederlanders aan boord van de Titanic. Een van hen, George Reuchlin, directeur van de Holland-Amerika Lijn, schreef op 10 april 1912 in een brief aan het thuisfront over de stormachtige overtocht enkele dagen daarvoor op de Noordzee: ‘wij stampten formidabel zodra wij even buiten de pieren kwamen en namen flinke zeeën over, doch dank [zij?] Mothersill (geneesmiddel tegen zeeziekte) had ik niet het minste gevoel van misselijkheid, ofschoon de heftige beweging elk slapen onmogelijk maakte.' Een paar dagen later ging Reuchlin met de Titanic ten onder. Het hielp hem uiteindelijk dus maar weinig.

Een van de deelcollecties die ik in het museum beheer, is die van de persoonlijke documenten. Hieronder verstaan we brieven, scheepsjournalen, dagboeken, diploma’s, monsterboekjes etc. Vooral in de dagboeken zijn vaak prachtige beschrijvingen te vinden van allerhande observaties van zeelieden en passagiers. Zo schreef een verder onbekend gebleven passagier uit Sommelsdijk die in oktober 1928 een reis maakt met de Coblenz van de Norddeutscher Lloyds van Rotterdam naar Indië, dat hij wel iets wist tegen zeeziekte: 'Volgens mij een flinken borrel voor het eten en flink schransen en verder heel den dag rustig [in] een luien stoel liggen. En toch probeert de zeeziekte, die oude peristaltische sluipmoordenaar je te overvallen! Hij beloert je vanaf slingerende masten, vanaf de rijzende en dalende golfgebergten, vanaf het heen en weer zwiepende touwwerk. En de horizon, die als een vast punt wordt aangeraden, is een bewegelijke, golvende rand, aan ons oog onttrokken, als de boot in een waterval zit [...].
De meest recente tentoonstelling, waaraan ik meewerkte, opende vorige week: Sex & The Sea - by Greenaway/Boddeke. Centraal hierin staat een film van een klein kwartier waarin zeelieden, een havenarts en een barvrouw van Katendrecht getuigen van hun lustgevoelens en hun drijfveren om naar zee te gaan: de onmetelijkheid van de zee, de nietigheid van de mens, de geuren van verre landen, avontuur. Allemaal positieve zaken zou je zo denken. Maar over iets negatiefs als zeeziekte hoor je ze niet, dus misschien hadden ze allemaal stevige zeebenen. Het idee voor Sex & The Sea kregen we van de tentoonstelling Zeerotica, die in 2011 te zien was in Navigo, het Nationaal Visserijmuseum in Oostduinkerke in België. Op dit moment is daar de tentoonstelling Zeeziek. Hoe kolkt de waanzinnige zee in lichaam en geest (nog tot en met 17 november 2013). Dus ook nu steekt de zeeziekte weer de kop op.
 
In de collectie bevindt zich een aantal mooie apparaten tegen zeeziekte en foto’s van speciaal ontworpen kussens. Het Maritiem Museum biedt gelukkig in velerlei opzichten aan iedereen en ook aan mij een stevig houvast!

 

 

zondag 8 september 2013

Beauty &The Bee?

Kent u Tom Manders alias Dorus nog? In 1958 zong hij: 'Bij de Marine'. Dat lied schoot deze week door mijn gedachten. Niet zozeer het aspect van de 'marine' - als werknemer in het Maritiem Museum heel begrijpelijk natuurlijk - maar nee, het ging mij om het woordje 'bij'. Deze week is namelijk een etalage bij de Rotterdamse vestiging van De Bijenkorf ingericht om aandacht te vestigen op onze nieuwe tentoonstelling 'Sex & The Sea', die vanaf 5 oktober a.s. te zien is in ons museum. De voorbereidingen zijn al in volle gang. Achter de schermen wordt hard gewerkt aan de bouw van alle wanden, vloeren en vitrines. Maar je kunt er nu dus ook al wat van zien. Voor de duur van twee weken wordt er in de etalage van het warenhuis een tipje van de sluier opgelicht.

 
De voorbereidingen voor het project begonnen vorig jaar. Op excursie naar de Wallen in Amsterdam, praten met een prostituee, een bezoek aan het Sexmuseum. Wie mag dat nu voor zijn werk? Jazeker, ik mag dat. Allemaal heel functioneel natuurlijk!
'Sex & The Sea' wordt een heel bijzondere tentoonstelling over de zeeman en hoe hij omgaat met zijn lustgevoelens, met heimwee en trouw zijn. Publiciste Karin Spaink schreef: '... er zit een vlek midden in je hoofd, in je brein, en die vlek is gefocuste lust en je volgt hem en rijdt erop weg de donkere diepte in en dat je zowat barst ...' Zou dat ook voor de zeeman gelden? Of misschien ook wel voor u en ik? 
Voor 'Sex & The Sea' hebben we nauw samengewerkt met het creatieve team van de beroemde filmregisseur en theatermaker Peter Greenaway en zijn vrouw Saskia Boddeke. Ik hoor u denken, Peter Greenaway, is die niet die van ... Jazeker! Dezelfde Peter Greenaway maakte succesfilms als The Cook, the Thief, his Wife and her Lover en Drowning by Numbers. Geweldig dat we hem hebben kunnen strikken voor ons project. Centraal in de tentoonstelling staat een film waarin zeemannen zelf vertellen over hun lustgevoelens. Daar omheen laten bijzondere voorwerpen iets zien van die verleidelijke wereld. Voor de bezoeker wordt het een beleving. Hij wordt letterlijk ondergedompeld in een sfeer van verleiding, maar ook de keerzijde van de geslachtsziekte wordt daarbij niet vergeten.  
 
Kortom, de wereld van de zeeman is er enerzijds een van avontuur, verlangen, vitaliteit, ongeremdheid, hartstocht, genieten, wild dansen, onstuimige muziek, dromen, begeerte en obsessie, maar aan de andere kant ook een van afscheid, eenzaamheid, verlangen, heimwee, verdriet. De zeeman is veel ongrijpbare mensen tegelijk. Eigenlijk net als het bijenvolk. En dus net als u en ik.
 
 
 

 

dinsdag 27 augustus 2013

Een varende koe?

Noem het een tic of beroepsdeformatie, maar veel museummedewerkers gaan in hun vrije tijd of vakantie op bezoek naar ... een museum! Ik dus ook. Deze zomer bivakkeerde ik in een tent ergens in de Franse Jura. Omdat een hete zon, een zwembad, bos, waterval en rotsgebergte ook niet alles is, reisde ik naar Lons-le-Saunier, waar Claude Joseph Rouget de Lisle in 1760 werd geboren. Hij werd bekend als componist en schrijver van de Marseillaise, het Franse volkslied. Lons-le-Saunier is een pittoresk stadje met volgens Wikipedia zo'n 18.000 inwoners. Een tip: ga er niet op een maandag naartoe, want afgezien van wat restaurants, cafés en de VVV is alles er dan gesloten. Alles? Nee, toch niet. Eén museum bleek open te zijn: het Maison de La Vache qui rit. Ik hoor u denken: 'van die stukjes zachte kaas in mooi zilverpapier in van die ronde doosjes?' Juist, ja! Het 'maison' (de naam museum draagt het niet, maar is het feitelijk wel) is gevestigd in een modern gebouw midden in het stadje precies op de plek waar het ooit allemaal begon met een eenvoudige kaasmakerij.


Nu is daar op 3500 m2 alles gewijd aan de lachende koe en hoe het marketingsucces van dit Franse rund is ontstaan, ontwikkeld en wereldwijd verbreid. Een lied over de lachende koe, een wielerploeg met de naam van de lachende koe in de Tour de France, en nog veel meer reclameobjecten met de lachende koe zorgden en zorgden ervoor dat het dier en dus het product overal ter wereld bekend is. Wist u trouwens hoe het overbekende beeldmerk is ontstaan? Leon Bel, zoon van de grondlegger van het bedrijf, deponeerde in 1921 het gloednieuwe merk La Vache qui rit.

Als beeldmerk koos hij voor de lachende koeienkop, omdat hij en illustrator Benjamin Rabier tijdens de Eerste Wereldoorlog in dezelfde eenheid zaten en het was Benjamin die de voertuigen van hun eenheid had versierd met een ... lachende koeienkop! De afbeelding van de koe is de loop van de tijd wel veranderd, maar is nog altijd het vertrouwde beeldmerk van de smeerkaas van de Bel Groep. Overname van diverse andere kaasmerken zorgde ervoor dat het bedrijf almaar groeide. Zo behoren tegenwoordig de merken Leerdammer en Boursin ook tot het Bel imperium.

Als je zoals ik in het Maritiem Museum werkt, zoek je natuurlijk ook naar een aanknopingspunt dat met scheepvaart te maken heeft, zoals een mooi geschilderd zeestuk. En zo'n voorwerp vond ik!
 
 
Er hing een prachtig scheepsmodel van een zeiljacht dat was beschilderd in de bekende rode kleur en versierd met de koeienkop. Ik vroeg mij af of koeien het misschien leuk vinden aan boord van een schip, maar het antwoord op die vraag weten we natuurlijk niet. Wat we wel weten is dat koeien vaak per schip worden vervoerd, aan dek of in speciale boxen.
 
 
In onze museumcollectie bevinden zich heel wat foto’s die daarvan getuigen. Dat is een waarheid als een koe!

zaterdag 20 juli 2013

De kunstenaar als zeeman / De zeeman als kunstenaar

Van de Britse schilder William Turner (1775-1851) wordt gezegd dat hij zich ooit vier uur lang in een storm aan een mast had laten vastbinden, om zo het razende natuurgeweld waarheidsgetrouw te kunnen vastleggen. Turner benadrukte dit graag zelf en deed gretig mee aan de verspreiding van het verhaal. Veel zeeschilders gingen zelf de zee op om de elementen van wind, water en lucht aan den lijve te ondervinden. Een van de eerste kunstenaars die dat deed, was de Haarlemmer Hendrick Vroom (1566-1640), die algemeen beschouwd wordt als de grondlegger van het zeestuk in de Noordelijke Nederlanden. Volgens de overlevering leed hij aan het eind van de 16de eeuw voor de Portugese kust schipbreuk tijdens een van zijn vele buitenlandse reizen. Aan land gekomen, schilderde hij zijn belevenis en terug in Holland bleef hij hiermee doorgaan omdat zijn 'scheepkens' gretig aftrek vonden. Zo kan een genre in de kunst door een toevalligheid ontstaan. Voor het maken van de beroemde Zeeuwse tapijtreeks ging Vroom bewust de zee op om in de nabijheid van Zierikzee persoonlijk de omstandigheden van wind, wolken en water te ervaren waarmee zeelieden in deze omgeving geconfronteerd werden.


Cornelis van Wieringen (ca. 1575-1633), ook een Haarlemmer en tijdgenoot van Vroom, kwam zelf uit een zeevarende familie. Dan is het dus niet zo vreemd dat hij de 'takelingen' en andere scheepseigenschappen zo goed kon afbeelden. Hij schilderde in 1622 een van de grootste zeestukken van de 17de eeuw: de Zeeslag bij Gibraltar.
Willem van de Velde de Oude (ca. 1611-1693) kreeg van de admiraliteit zelfs een klein bootje toegewezen om achter de vloot aan te zeilen. Als een 'embedded journalist' avant la lettre bracht hij nauwkeurig de schepen en vlootbewegingen tijdens de talloze zeeslagen tussen de Nederlanders en Engelsen in tekening. Daarvan zijn er honderden bewaard gebleven.
 

Er waren ook wat minder fortuinlijke zeeschilders. Scheepstimmerman Gerrit Groenewegen (1754-1826) raakte door een ongeluk zijn rechterbeen kwijt waardoor hij zijn vak niet meer kon uitoefenen en zich noodgedwongen omschoolde tot maritiem tekenaar. Ook de Zeeuw Engel Hoogerheijden (1740-1807) overkwam dit lot. Hij was matroos bij de VOC en verloor net als Groenewegen een been. Na twaalf ambachten en dertien ongelukken koos hij voor het beroep van kunstenaar. Misschien is dat voor ons maar goed ook, want anders hadden we hun namen en werken waarschijnlijk nooit gekend.
Ook in de moderne kunst worden schepen en de zee vaak tot onderwerp gekozen. Maar de kunstenaars hebben veelal zelf geen relatie met scheepvaart of scheepsbouw. Iemand die door de scheepvaart ten onder ging, was de conceptuele kunstenaar Bas Jan Ader (1942-1975).

 
In 1975 wilde hij voor zijn project 'In Seach of the Miraculous' met een klein zeilscheepje de Atlantische Oceaan oversteken. Hij kwam nooit aan en zijn bootje werd leeg teruggevonden. Ader was helaas niet zo fortuinlijk als Hendrick Vroom.

woensdag 10 juli 2013

Hondenbaan?

Het is helemaal niet zo vreemd om een hond tegen te komen in het Maritiem Museum. Visueel gehandicapten met een herkenbare en gediplomeerde begeleidingshond zijn bij ons van harte welkom. Dat geldt ook voor bezoekers met een handicap die een sociale begeleidingshond, een zogenaamde SOHO-hond, hebben. Maar we hebben zelf ook honden in huis. Denk maar eens aan Sjaak de scheepshond. 
Sjaak leeft op een zeilschip en zoekt in het museum naar vriendjes. Kinderen kunnen dan helpen om een vriendje voor Sjaak te zoeken en dan leren ze meteen allerlei weetjes over de scheepvaart. En dan hebben we natuurlijk ook nog Dobber, een van de vrienden van Professor Plons. Honden en schepen, ze hebben wat met elkaar. Wie kent niet de viervoeter Skip, de trouwe metgezel uit de stripverhalen van Kapitein Rob? Of Nero, de scheepshond van Bulletje en Boonestaak? Voor onze nieuwe tentoonstelling Sex & The Sea, die eind september 2013 opent, halen we een hele roedel in huis. Nee, schrik maar niet, het zijn geen echte honden. De honden die we gaan exposeren, blaffen niet en bijten doen ze al helemaal niet. Het zijn zogenaamde Staffordshire hondjes, schoorsteenmantelhondjes in tweetallen van aardewerk. Met name zeelieden namen ze uit Engelse havensteden als souvenir voor hun vrouwen mee. De hondjes kregen daardoor de bijnaam ‘schippershondjes’. Hoewel er van aardewerk verschillende rassen werden gemaakt, waren de vaak sullig uit hun ogen kijkende spaniëls het meest populair. In Nederlandse en Noord-Duitse havenplaatsen gaan verhalen de ronde dat de prostituees de zeelieden de hondjes verkochten als dekmantel voor hun bewezen diensten. Op deze manier hadden de stoere zeelieden een legale reden om bij de dame in kwestie op bezoek te zijn. Zo zouden ze ook als signaal- of seinhond van de meisjes van plezier dienen: wanneer de hondjes naar binnen of naar elkaar keken had ze mannelijk gezelschap en stonden ze naar buiten gedraaid was ze vrij. Hierdoor kregen ze de bijnaam ‘hoerenhondjes’. Met een veelheid aan hondenparen in allerlei kleuren, maten en vormen willen we dat verhaal in Sex & The Sea verbeelden. Als conservator was ik de gebeten hond om ze bij elkaar te zoeken. Als een jonge hond struinde ik stad en land af en vond ze in allerlei musea en oudheidskamers, maar ook bij particulieren. Voor mijzelf kocht ik zelfs een paar hondjes op een veiling.


We vroegen een flink aantal bruiklenen aan en nu komen ze allemaal ‘binnengewandeld’. In het najaar kunt u ze een jaar lang allemaal bewonderen. Maar nu ga ik slapen, want ik ben zo moe als een hond.